Blog André Postema: Waar blijven onze leerlingen?

Collegevoorzitter André Postema over zijn visie op het onderwijs, opvallende observaties en dilemma’s.

“Waar blijven onze leerlingen?” Het is een vraag die past bij scholen in krimpgebieden, wanneer rond de maand mei de inschrijvingen weer verder zijn teruggelopen ten opzichte van het vorige jaar. Leerlingendaling is een pijnlijk proces en gaat zelden in het tempo dat is voorzien. Viel de terugloop in Limburg eerder nog mee ten opzichte van de prognose, de afgelopen jaren zien we in diverse gemeenten juist een versnelling optreden. En dan helpt het niet dat er naast de natuurlijke krimp soms ook nog sprake is van een extra afname, doordat gezinnen wegtrekken uit krimpgebieden omdat er elders betere perspectieven zijn. Geen gemeente wil dat in de krant, maar geloof mij dat het gebeurt.

Krimp betekent een flinke uitdaging voor het handhaven van de kwaliteit en betaalbaarheid van het onderwijs. Het is niet eenvoudig om voor steeds smaller wordende profielen nog voldoende grote groepen te maken die worden bediend door docenten van het juiste niveau. Ondertussen blijven de vaste lasten van huisvesting en ondersteuning doorlopen. Het houdt de Limburgse scholen al bijna een decennium bezig en het einde is nog niet in zicht. Tegelijkertijd mag het niet verbazen dat de scholen in onze provincie voorop lopen in het inspelen op krimp. Door vroegtijdig de formatie en ook de huisvesting hieraan aan te passen. Door samen te werken en waar nodig samen te gaan. Door het onderwijs flexibeler en meer op maat te maken. En dat brengt ons, via deze kleine maar niet onbelangrijke uitstap, bij OpMaat, de gezamenlijke onderwijsambitie van de scholen van het Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO), vertaald in zeven concrete doelstellingen. Vandaag sta ik langer stil bij de zesde doelstelling: onze leerlingen maken een goed geïnformeerde keuze voor het vervolgonderwijs en zijn daarvoor uitstekend toegerust, tot uitdrukking komend in minimale uitval en switch.

“Waar blijven onze leerlingen?” Dat is een vraag die niet alleen scholen in krimpgebieden zich wat vaker zouden moeten stellen. En nu doel ik niet op de instroom, maar juist op de uitstroom van leerlingen. Het vo staat weliswaar voor voortgezet onderwijs, maar veel liever spreek ik over voorbereidend onderwijs. Het is immers doorgaans de opmaat (!) naar het vervolgonderwijs van het mbo, hbo en universiteit. En vanuit dat perspectief dient uitstekend voortgezet onderwijs aan veel vereisten te voldoen, maar in ieder geval aan een succesvolle voortzetting in het vervolgonderwijs. Helaas dienen zich daarbij minimaal drie belangrijke zorgpunten aan.

In de eerste plaats stemmen de resultaten in dat vervolgonderwijs bepaald niet tevreden. Met name in het hoger beroepsonderwijs is er landelijk gezien sprake van een onacceptabel hoge uitval: 15% van deze studenten valt uit het hoger onderwijs en behaalt hierin dus nooit het diploma. Voorts switcht nog eens 20% van de studenten binnen het eerste jaar van studierichting of instelling, zo blijkt uit een omvangrijke overzichtsstudie van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2016, Wikken en wegen in het hoger onderwijs. De uitvalpercentages in het wetenschappelijk onderwijs zijn met 7% weliswaar lager, maar ook daar is er sprake van (ruim) 20% switch. En in het middelbaar beroepsonderwijs is er sinds jaar en dag sprake van een hoge studie-uitval, wat dan ook nog eens betekent dat jongeren zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt terechtkomen. Daarbij komt, zo beschrijft het genoemde SCP onderzoek, dat mbo’ers tegenwoordig steeds minder succes hebben als zij een vervolgopleiding doen aan een hogeschool: zij doen langer over hun studie en houden er vaker mee op dan studenten die van het havo of vwo afkomstig zijn. Ook gaan mbo’ers minder vaak naar het hbo dan vroeger en zij stromen daarna minder door naar de universiteit. Tot slot geldt dat zowel voor het funderend onderwijs als het beroeps- en wetenschappelijk onderwijs dat studiesucces uiteindelijk moet leiden tot goede kwalificaties voor de arbeidsmarkt. Alhoewel het probleem van “opgeleid worden voor de kaartenbakken van het UWV” van alle tijden is, is het schrijnend te zien dat in het bijzonder sommige grote studierichtingen in het mbo zeer slechte perspectieven bieden (administratie is hier een voorbeeld van), terwijl er in de zorg en in de techniek juist grote tekorten aan vakmensen zijn.

Een tweede zorgpunt is dat deze onbevredigende resultaten in het vervolgonderwijs door afzonderlijke vo-scholen nog wel eens als een ver-van-mijn-bed-show worden gezien, al zullen zij dit niet gauw toegeven. Feit is dat maar heel weinig scholen in Nederland goed zicht hebben op hoe het hun (ex-)leerlingen in het vervolgonderwijs vergaat. Jazeker, er worden hier en daar wel metingen gedaan, soms door duurbetaalde adviesbureaus. En ook terugkomdagen waarop een meer kwalitatieve analyse wordt gemaakt (“wat heb je bij nader inzien tijdens je verblijf of onze school gemist”) komen voor. Maar van een systematische monitoring van het succes in het vervolgonderwijs is vooralsnog geen sprake. En dat is toch wel een beetje gek, wanneer dit een belangrijke indicator van je corebusiness is.

En daarmee komen we direct bij het derde zorgpunt. Vo-scholen worden momenteel in het geheel niet gewaardeerd en afgerekend op de prestaties van hun leerlingen in het vervolgonderwijs. In het slechtste geval kijken docenten en schoolleiders er niet naar. De inspecties vraagt er niet na. En de bewindspersoon? Die laat zich af en toe via dikke rapporten en krantenkoppen informeren. Ondertussen levert het een school die uitstekend presteert in het voorbereiden van haar leerlingen op het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt geen enkele euro en geen enkele regel beleidsvrijheid extra op.

Gelukkig zien we hierin een kentering komen. En nee, dan bedoel ik dus niet zozeer het zoveelste tumult in media en politiek. Wat ik bedoel is dat er de afgelopen twee jaren hard is gewerkt aan het eenvoudig en inzichtelijk kunnen volgen van vo-leerlingen in het vervolgonderwijs, via het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO) van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, onder leiding van Rolf van der Velden en Mark Levels van mijn vorige werkgever, de Universiteit Maastricht. Per opleiding in het vervolgonderwijs kan sinds kort een rapportage worden opgevraagd, die ten behoeve van de privacy met versleuteling door het CBS wordt aangeleverd. De rapportage geeft rijke informatie over de onderwijsloopbanen van onze leerlingen, over het aantal dat doorstroomt naar verschillende typen vervolgopleidingen, de mate van uitval en switch en op welk niveau zij een diploma halen. Now we’re talking. LVO was onderdeel van de pilot van het NCO en is ook gastvrouw van de regiobijeenkomst die eind deze maand wordt georganiseerd. Aan het cijfermatige inzicht zal het dus niet meer (kunnen) liggen.

Mogelijk nog belangrijker is dat er sprake is van een mentaliteitsverandering. Veel scholen zien inmiddels zelf maar al te goed dat zij een belangrijke verantwoordelijkheid hebben voor het succes in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt van hun leerlingen. Het feit dat wij “succes in het vervolgonderwijs” al langer volgen via de LVO Beleidsmonitor zal daar aan hebben bijgedragen. En door dit op te nemen als zesde OpMaat-doelstelling wordt vervolgens ook nog eens de brug geslagen tussen het “wat” (goed geïnformeerde keuzes, uitstekend toegerust, minimale uitval en switch) en het “hoe”.

Want hoe doe je dat nu als vo-school, het minimaliseren van uitval en switch in het vervolgonderwijs? Uiteraard in de wetenschap dat we onze ex-leerlingen (gelukkig) niet aan een touwtje hebben en we afhankelijk zijn van de inzet van de instellingen van het mbo, hbo en wo. Een ronde langs de scholen van LVO levert hieromtrent belangrijke ervaringen en inzichten op. De monitoring van de vervolgprestaties vormt doorgaans een eerste aanleiding voor verdiepende analyses. Wat weten de leerlingen nu echt over de vervolgopleiding en het bijbehorende arbeidsmarktperspectief? Hoe motiveren we onze leerlingen voor datgene wat hen aanspreekt, waar zij goed in zijn én waarvoor er ook toekomstperspectief is? Wat zijn de struikelvakken? Zijn de leerlingen toegerust op de overgang naar een andere pedagogiek en didactiek, naar zelfstandiger en tegelijkertijd meer groepsgewijs werken? Dergelijke vraagstukken zijn niet alleen geland in een aanzienlijk verbeterde en meer in het reguliere onderwijs verankerde loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Ook zien we dat er wordt ingezet op het verkleinen van de overgangen tussen het vo en het mbo, hbo en wo. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de vmbo’s van het LVO, waar alle leerlingen, van het Dendron College in Horst tot het Emmacollege in Heerlen, de vakmanschapsroute techniek kunnen volgen, waarbij vo en mbo vanaf het derde leerjaar de handen ineen hebben geslagen voor een aantrekkelijke, doorlopende techniekopleiding. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij het VHBO Maastricht, dat in plaats van een havo voor zijn leerlingen vooral een voorbereidend hbo wil zijn. En dat doet het door de hogeschool letterlijk in huis te halen: in termen van vakken, werkvormen, docenten en de koppeling tussen theorie en praktijk. En dit gebeurt bijvoorbeeld bij het Raayland College in Venray, waar technasiumleerlingen onder begeleiding van hbo- en wo-docenten een meesterproef afleggen en zo al met één been in het vervolgonderwijs komen te staan.

Dergelijke voorbeelden laten zien dat ook de zesde OpMaat-doelstelling bepaald in lijn ligt met tal van ontwikkelingen op onze scholen. En zo hoort het ook. Op weg naar een opleiding die garant staat voor een succesvol vervolg. En een schooltijd die iedere dag weer weet te boeien, die onze leerlingen een fantastische tijd bezorgt, óók ín de les. Daarover gaat mijn volgende blog.

Reageer op dit artikel

avatar
  Subscribe  
Abonneren op